De taal

De taal

Wat is de taal toch moeilijk! Al die letters en regels. Welke grammatica is er? Hoe bereid je, je voor op het inburgeringsexamen? En wat is KNM of ONA? Leer hier meer en gebruik het oefenmateriaal.

Inburgeren

Als je moet inburgeren heb je een goede school nodig. Vanaf 2021 zal de gemeente deze voor je kiezen. In 2019/2020 mag je nog zelf zoeken. Als je een DUO-lening hebt, vind je via Blik op Werk een taalschool:

https://www.ikwilinburgeren.nl/nederlands/kaart

Als je niet hoeft in te burgeren, maar de taal wel wil leren kun je kijken of je er een lening voor kunt krijgen:

https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/nieuw-in-nederland/vraag-en-antwoord/moet-ik-als-nieuwkomer-inburgeren
https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/nieuw-in-nederland/vraag-en-antwoord/moet-ik-mijn-inburgering-zelf-betalen

Als je op A2-niveau inburgeringsexamen wil doen, kijk je hier:

https://www.inburgeren.nl/

Als je liever op B1 / B2 niveau het staatsexamen I of II wil doen, kijk je hier:

https://www.staatsexamensnt2.nl/

Als je in Nederland naar de basisschool bent geweest kun je vaak les volgen vanuit de WEB, Wet Educatie & Beroepsonderwijs. Vraag dit na bij de gemeente.

Onderaan staan veel oefensites. Als je extra wil oefenen met de taal kun je ook oefenen met een vrijwilliger. Kijk op:

https://www.hetbegintmettaal.nl/vind-je-taalcoach/
of http://taaltoets.eu/taalonderwijs-in-nederland/
of  https://www.lezenenschrijven.nl/ik-wil-leren/ 

Grammatica

Hieronder vind je de belangrijkste grammatica voor het A2-examen. (Wil je de uitleg in het Arabisch? klik hier.)

De basis

De Nederlandse taal kent 26 letters a, b, c, d, e, f, g, h, i, j, k, l, m, n, o, p, q, r, s, t, u, v, w, x, y, z.

Met deze letters maken we woorden zoals appel. Dit woord heeft 5 letters. a p p e l.

Met meerdere woorden maken we een zin. Ik eet een appel. Deze zin heeft 4 woorden ik, eet, een, appel. Hij heeft 13 letters i, k, e, e, t, e, e, n, a, p, p, e, l.

We hebben 10 cijfers 0 nul, 1 één, 2 twee, 3 drie, 4 vier, 5 vijf, 6 zes, 7 zeven, 8 acht, 9 negen. Met die cijfers maken we getallen zoals 10 tien, 20 twintig, 30 dertig 40 veertig, 50 vijftig, 60 zestig, 70 zeventig, 80 tachtig, 90 negentig, 100 honderd 200 tweehonderd, 500 vijfhonderd. Het getal 1785 bestaat uit 4 cijfers 1, 7, 8, 5 en spreek je zo uit:

Je begint met het grootste getal 1000 duizend en dan 700 zevenhonderd en zo werk je van links naar rechts

Bij de laatste twee getallen werk je van rechts naar links. Eerst komt de 5 vijf en dan de 80 tachtig. Zo wordt dit getal 1785 duizendzevenhonderdvijfentachtig.

Een zin begint altijd met een grote letter, hoofdletter en eindigt met een . punt. Als we een vraag stellen komt aan het eind van de zin geen . maar een ? vraagteken.

De woordvolgorde I

Een normale zin heeft eerst een onderwerp, dan een werkwoord en dan de rest.

Een onderwerp is meestal een persoon, dier of voorwerp zoals ik, jij, hij, de man, de kat, de tafel.

Het werkwoord is de actie: eten, slapen, lopen.

Hasan eet een banaan. Hierbij is Hasan het onderwerp en eet het werkwoord.

Bij een vraag draait het onderwerp en werkwoord van plaats.

Bij een normale zin is het…
onderwerp + 2 werkwoord + rest.
Bij een vraag wordt het…
werkwoord + 2 onderwerp + rest?

Hasan eet een appel > Eet Hasan een appel?

Het werkwoord I

Ik ben je zelf, diegene die dit leest. Jij en u is voor diegene waar je mee praat. Als het een vriend is zeg je jij. Als het een dokter, leraar of oude man/vrouw is zeg je meestal u. Hij gebruik je als je praat over een man. Zij als je praat over een vrouw.

Wij is voor een groep  (ik + jij) Jullie is ook voor een groep  (jij + jij) Ik hoort daar niet bij. Zij is voor 1 vrouw maar kan ook een groep zijn. Bij jullie maak je contact met de groep. Bij zij heb je dat niet.

Bij een regelmatig werkwoord krijgen we bij wij, jullie en zij het hele werkwoord.  Wij helpen, jullie helpen en zij (groep) helpen.

Bij ik halen we er -en af. Ik help.

Bij jij, u, hij en zij (1 vrouw) komt er een +t bij. Jij helpt, u helpt, hij helpt, zij helpt

Ik help
Jij helpt
U helpt
Hij helpt
Zij helpt
Wij helpen
Jullie helpen
Zij helpen

Het werkwoord II

We hebben 26 letters. Daarvan zijn er 6 klinkers a, e, i, o, u, en de y (als hij klinkt als i, zoals in baby. Je schrijft een y maar hoort een i.)

En er zijn 20 medeklinkers b, c, d, f, g, h, i, j, k, l, m, n, p, q, r, s, t, v, w, x, z. We schrijven in deze uitleg voor een klinker een k en voor een medeklinker een m.

Voorbeeld: bal is een medeklinkerklinkermedeklinker of mkm.

Deze woorden zijn allemaal mkm:  valbelvis, sopkus. Je hoort daarbij een korte a, e, i, o, u.

Dan schrijf je bij ik, jij, u, hij, zij maar één m maar bij wij, jullie en zij (een groep) twee mm

Kijk maar:
Ik val > Wij vallen
Ik bel > Wij bellen
Ik vis > Wij vissen
Ik sop > Wij soppen
Ik kus > Wij kussen

Deze woorden zijn allemaal mkkm en hebben 2 dezelfde kklaatleerloophuur. Je hoort een lange ee, aa, oo, uu.

Dan schrijf je bij ik, jij, u, hij, zij twee kk maar bij wij, jullie en zij één k.

Kijk maar:
Ik leer > Wij leren
Ik laat > Wij laten
Ik loop > Wij lopen
Ik huu> Wij huren

Woorden die eindigen op 1 v of z, worden bij ik, (en jij, u, hij, zij) een f of s.

Schrijven > ik schrijf
Lezen > ik lees

Het lidwoord

We hebben 3 lidwoorden: de, het, een. Welk lidwoord er bij een woord hoort is moeilijk uit te leggen. Dat kun je het beste even opzoeken in een woordenboek. Voor woorden met de schrijven we in het woordenboek vaak een m of een v. Voor woorden met het schrijven we vaak een o.

Soms weten we zeker dat het de of het is. 

Woorden in meervoud (waar er 2 of meer van zijn) zoals bananen, citroenen en appels hebben altijd de.

Woorden die we verkleinen zijn altijd het. Bijvoorbeeld de appel > het appeltje.

Een kan zowel bij de- als het-woorden gebruikt woorden. De banaan > een banaan, het bord > een bord.

Het meervoud

Meervoud betekent dat er van iets twee of meer zijn. Bijv. 1 citroen 2 citroenen. Meestal komt er dan +en bij.

Let op: Woorden die eindigen op a, i, o, u, y krijgen in het meervoud `s. Bijv: 1 mango > 2 mango`s. 

Woorden die eindigen op é, e, el, en, er, em, ie krijgen in het meervoud +s. Bijv: 1 appel > 2 appels.

We hadden het eerder over de werkwoorden. Ik bel, wij bellen. Als een woord eindigt op mkm en een korte a,i,e,o,u heeft schrijven we twee mmval > vallen, bel > bellen, vis > vissen sop > soppen, kus > kussen. Dat is ook bij het meervoud. bes > bessen, pan > pannen, kop > koppen

We hadden het eerder over de werkwoorden. Ik leer, wij leren. Als een woord eindigt op mkkm en een lange aa, ee, oo, uu heeft schrijven we een klaat > laten, leer > leren, loop > lopen, huur > huren. Dat is ook bij meervoud.  banaan > bananen, tomaat > tomaten

Woorden die in het enkelvoud eindigen op 1f schrijven we in het meervoud met een v. druif > druiven. Woorden die in het enkelvoud eindigen op 1s met daarvoor een lange aa, ee, oo, uu schrijven we in het meervoud met een z. framboos > frambozen

Het voorzetsel & de tijd

Voorzetsels zijn woorden die aangeven waar iets staat, ligt, etc. De appel ligt in de mand. De appel ligt naast de banaan.

Ook gebruiken we ze veel voor tijd. We eten lunch om tien uur. We hebben pauze tot 12 uur.

Bij de klok gebruiken we over en voor.

12:00 Het is twaalf uur.
12:05 Het is vijf over twaalf.
12:10 Het is tien over twaalf.
12:15 Het is kwart over twaalf.
12:20 Het is tien voor half een.
12:25 Het is vijf voor half een.
12:30 Het is half een.
12:35 Het is vijf over half een.
12:40 Het is tien over half een.
12:45 Het is kwart voor een.
12:50 Het is tien voor een.
12:55 Het is vijf voor een.
13:00 Het is een uur.

Hebben & zijn

Zijn en hebben zijn twee van de belangrijkste werkwoorden. Die moet je goed uit je hoofd leren. Je hebt ze ook nodig om de voltooide tijd te maken.

Het bijvoeglijk naamwoord

Bijvoeglijk naamwoorden zijn woorden die iets zeggen over de persoon, het dier, het ding. We schrijven ze met +e. De dikke man, het witte paard, de grote appel.

We hadden het eerder over de werkwoorden en het meervoud. Als een woord eindigt op mken een korte a,i,e,o,u heeft schrijven we twee mm.  vis > vissen / bes > bessen.

Dat is ook bij bijvoeglijk naamwoorden. mkm en korte a,i,e,o,u? Dan doen we twee mm +e. Dun > dunne, dik > dikke

We hadden het eerder over de werkwoorden en het meervoud. Als een woord eindigt op mkkm en een lange aa, ee, oo, uu heeft schrijven we een klaat > laten / banaan > bananen. 

Dat is ook bij bijvoeglijk naamwoorden. mkkm en lange aa, ee, oo, uu? Dan doen we één k +e. Groot > grote.

Het vraagwoord

Vraagwoorden zijn woorden die vaak aan het begin van een vraag staan.

Met wie vraag je naar een persoon. Wie heeft mijn appel opgegeten? Josh.

Met wat vraag je naar een ding of object. Wat is dat? Dat is een appel. 

Met waar vraag je naar een plaats. Waar woont Josh? In Amsterdam.

Met wanneer vraag je naar een dag of tijd. Met hoe laat vraag je enkel naar tijd. Wanneer is er een bbq? Op maandag. Hoe laat is de bbq? Om zes uur. 

Met hoeveel vraag je naar een gewicht of een aantal. Hoeveel bananen hebben we? Drie bananen. Hoeveel wegen die bananen? 500 gram.

Met hoe vraag je om een manier om iets te doen. Hoe moet ik een ei bakken? Je doet eerst boter in de pan. Dan doe je het ei erin. 

Met waarom vraag je om een reden. Waarom ben je niet op de bbq? Ik moet werken.

Een normale zin: Je begint met het onderwerp en daarna het werkwoord.
onderwerp + 2 werkwoord + rest .

Een vraag: het werkwoord komt op de eerste plaats en dan het onderwerp.
werkwoord + 2 onderwerp + rest ?

Een vraag met een vraagwoord: Eerst komt  het vraagwoord, dan het werkwoord en dan het onderwerp.
vraagwoord + 2 werkwoord + 3 onderwerp + rest ?

Hasan eet een appel.
Eet Hasan een appel?
Waar eet Hasan een appel?

Als het antwoord een van de woorden uit de vraag is haal je die eruit.

Wie eet een appel? Hasan

Het verwijswoord

Als we een tekst schrijven wil je dat goed en snel kunnen lezen.

Hassan heeft een appel. De appel is heel lekker. De appel ligt op tafel.

In deze tekst staat heel vaak het woord appel. Zo kun je het niet snel lezen. Daarom gebruiken we soms verwijswoorden.

Hassan heeft een appel. Deze is heel lekker. Hij ligt op tafel.

We laten je hier de verwijswoorden dit, dat, deze en die zien. Er zijn er nog veel meer.

Dit en dat gebruiken we bij het-woorden. Deze en die bij de-woorden.

Als het een het-woord is en dichtbij gebruiken we > dit
Als het een het-woord is en ver weg gebruiken we > dat
Als het een de-woord is en dichtbij gebruiken we > deze
Als het een de-woord is en ver weg gebruiken we > die

Het boek ligt hier op tafel. Dit boek is mooi.
Het boek ligt daar in de kast. Dat boek is mooi.
De appel ligt hier op tafel. Deze appel is lekker.
De appel ligt daar in de kast. Die appel is lekker.

Niet & geen

Geen gebruiken we om te zeggen dat we van iets 0 hebben. Ik heb geen appels. Ik heb 0 appels.

Geen gebruiken we bij woorden waar je 0/1/2 of een voor kunt zetten. een appel > geen appel.

Ook als er voor het woord nog een bezittelijk naamwoord staat gebruiken we toch geen. Ik heb een grote appel > Ik heb geen grote appel.

Bij stoffen zoals koffie, suiker, hout, goud, metaal waarvan je niet zo goed kunt zeggen “Ik heb 1 hout.” gebruiken we ook geen. Ik heb hout. > Ik heb geen hout.

In alle andere gevallen gebruiken we niet.

Bijvoorbeeld bij werkwoorden.
Ik kan niet dansen. Ik houd niet van chocola. Ik ben niet blij. Ik kom morgen niet werken. Fietsen kan ik niet.

Is fiets hier een ding waar je er 0,1,2 van kunt hebben of een werkwoord?

Ik heb een fiets. > Ik heb geen fiets.
Ik heb twee fietsen. > Ik heb geen fietsen.
Ik kan fietsen. > Ik kan niet fietsen.

Het bezittelijk & persoonlijk voornaamwoord

Als je wil aangeven dat iets van jou is. Jij hebt het gekocht of gekregen. Dan kun je bezittelijk voornaamwoorden gebruiken.

Ik heb een appel. Het is mijn appel.
Hij heeft een banaan. Het is zijn banaan.
Jullie hebben kersen. Het zijn jullie kersen.

Als er in de zin het woord van of voor staat gebruiken we persoonlijk voornaamwoorden.

Die appel is van mij.
Die appel is voor jou.
Die banaan is van hem.
Die kersen zijn van jullie.

Het verkleinwoord

Als je wil zeggen dat iets klein is, gebruik je vaak verkleinwoorden. Boek > boekje. Je gebruikt +je.

Als het woord eindigt op l, n, w, r, komt er +tje : banaan > banaantje

Als het woord eindigt op y en daarvoor een medeklinker, dan krijgt het y’tje: baby > baby‘tje

Als het woord eindigt op i en het heeft een lange klank, dan wordt het ietje: taxi > taxietje

Als het woord eindigt op e, a, o, u, en een lange klank hebben krijgt het twee aa, ee, oo, uu + tje: mango > mangootje

Als het woord eindigt op m komt er +pje: boom > boompje

Als het woord eindigt op ng krijgt het vaak nkje: ketting > kettinkje

Woorden die eindigen op mkm en een korte a, e, o, u hebben krijgen vaak twee mm en +etje: bon > bonnetje

De vergelijking

Met vergelijken zeg je dat je meer of minder hebt van iets dan een ander.

De eerste stap is meestal +er
Ik ben groter dan Jan. Ik ben kleiner dan Sofie.

We hadden het eerder over de werkwoorden. Als een woord eindigt op mkm en een korte a,i,e,o,u heeft schrijven we twee mm.  vis > vissen / bes > bessen.

Dat is ook bij bijvoeglijk naamwoorden. mkm en korte a,i,e,o,u? Dan doen we twee mm +e. Dun > dunne, dik > dikk

Bij vergelijken voegen we +r toe. Dun > dunner, dik, dikker.

We hadden het eerder over de werkwoorden. Als een woord eindigt op mkkm en een lange aa, ee, oo, uu heeft schrijven we een klaat > laten / banaan > bananen. 

Dat is ook bij bijvoeglijk naamwoorden. mkkm en lange aa, ee, oo, uu? Dan doen we één +e. Groot > grote. 

Bij vergelijken voegen we +r toe. Groot > groter.

Bij woorden die eindigen op één r zetten we er +der achter: zwaar > zwaarder

Bij woorden die eindigen op één f wordt dit een v: lief > liever.

Bij woorden die eindigen op één s wordt dit een z: vies > viezer

De tweede stap is +st
Sofie is het grootst.

De woordvolgorde II

Een normale zin: Je begint met het onderwerp en daarna het werkwoord.
onderwerp + 2 werkwoord + rest : Hassan eet een appel.

Bij een zin waar de rest een tijd en plaats is komt eerst de tijd en dan de plaats.
onderwerp + 2 werkwoord + 3 tijd + 4 plaats :  Hassan is om tien uur in het ziekenhuis.

Bij een vraag komt het werkwoord op de eerste plaats en daarna het onderwerp.
werkwoord + 2 onderwerp + rest ? :  Is Hassan in het ziekenhuis ?

Bij een vraag met een vraagwoord komt eerst het vraagwoord, dan het werkwoord en dan het onderwerp.
vraagwoord + 2 werkwoord + 3 onderwerp + rest ? Hoe laat is Hassan in het ziekenhuis ?

Bij een plaats of tijd aan het begin van de zin komt ook eerst het werkwoord en daarna het onderwerp.

plaats + 2 werkwoord + 3 onderwerp + rest  : In het ziekenhuis is Hassan om tien uur.

1 tijd + 2 werkwoord + 3 onderwerp + rest  :  Om tien is Hassan in het ziekenhuis.

De woordvolgorde III

Bij en, of, maar, dus & want blijft in het tweede stuk van de zin het onderwerp en werkwoord in dezelfde volgorde staan als in het eerste stuk.

Ik ben ziek en ik kom niet werken.
Ik ben ziek, maar ik kom werken.
Ik ben ziek, dus ik kom niet werken.
Ik kom niet werken, want ik ben ziek.

Bij en & of kunnen we als er hetzelfde onderwerp of werkwoord voorkomt in het eerste als tweede stuk van de zin deze de tweede keer weglaten.

Fatima eet een appel en Hassan drinkt koffie.
Fatima eet een appel en Fatima drinkt koffie. > Fatima eet een appel en drinkt koffie.
Fatima eet een appel en Fatima eet een banaan. > Fatima eet een appel en een banaan.

Ik kom niet werken, want ik ben ziek. Onderwerp en werkwoord blijven bij want dicht bij elkaar.

Bij omdat (als, hoewel, terwijl, toen) komt het tweede werkwoord / persoonsvorm aan het eind van de zin.

Ik kom niet werken, want ik ben ziek.
Ik kom niet werken, omdat ik ziek ben.

Ik kom niet werken, als ik ziek ben.
Ik kom werken, hoewel ik ziek ben.
Ik kom werken, terwijl ik ziek ben.
Ik kwam werken, toen ik ziek was.

De verleden tijd

Bij de verleden tijd praten we over iets dat vroeger gebeurd is. Iets van gisteren of vorige week.

We maken de verleden tijd door:

Stap 1: Neem de ik-vorm van het werkwoord.

Stap 2: Kijk bij regelmatige werkwoorden of de laatste letter voorkomt in SoFTKeTCHuP X.

Stap 3: Als de laatste letter in SoFTKeTCHuP X zit gebruiken we +te voor ik, jij, u, hij, zij en +ten voor wij , jullie, zij.

Als de laatste letter niet in in SoFTKeTCHuP X zit gebruiken we +de voor ik, jij, u, hij, zij en +den voor wij, jullie, zij.

Bijvoorbeeld:
Werken
Ik werk
Werk, zit in SoFTKeTCHuP X
Ik werkte, wij werkten

Duwen
Ik duw
Duw, zit niet in SoFTKeTCHuP X
Ik duwde, wij duwden

De voltooide tijd

Voltooide tijd is net als de verleden tijd iets wat gisteren of vorige week gebeurd is. Voltooid betekent dat het daarnaast klaar is.

We maken de voltooide tijd door:

Stap 1: Neem de ik-vorm van het werkwoord.

Stap 2: Kijk bij regelmatige werkwoorden of de laatste letter voorkomt in SoFTKeTCHuP X.

Stap 3: Als de laatste letter in SoFTKeTCHuP X zit gebruiken we ge+ ik-vorm +t

Als de laatste letter niet in in SoFTKeTCHuP X zit gebruiken we ge+ ik-vorm +d

Stap 4: We kijken of we het werkwoord hebben of zijn erbij moeten gebruiken. Gebruik zijn bij beginnen/begonnen, blijven/gebleven, gaan/gegaan, komen/gekomen, worden/geworden, zijn/geweest.

Gebruik hebben bij alle andere werkwoorden.

Werken
Ik werk
Werk, zit in SoFTKeTCHuP X
Werken staat niet bij de werkwoorden: beginnen, blijven, gaan, komen worden, zijn. We gebruiken hebben.
Ik heb gewerkt. Wij hebben gewerkt.

Duwen
Ik duw
Duw, zit niet in SoFTKeTCHuP X
Duwen staat niet bij de werkwoorden: beginnen, blijven, gaan, komen worden, zijn. We gebruiken hebben.
Ik heb geduwd. Wij hebben geduwd.

Bij werkwoorden die beginnen met er+ her+ ver+ ont+ be+ ge+ voeg je geen +ge meer toe.

Erkennen
Ik erken
Erken, zit niet in SoFTKeTCHuP X
Erkennen staat niet bij de werkwoorden: beginnen, blijven, gaan, komen worden, zijn. We gebruiken hebben.
Ik heb erkend. Wij hebben erkend.

Bij scheidbare werkwoorden komt +ge tussen het eerste en tweede deel in.

Schoonmaken
Ik maak schoon
Maak, zit in SoFTKeTCHuP X
Schoonmaken staat niet bij de werkwoorden: beginnen, blijven, gaan, komen worden, zijn. We gebruiken hebben.
Ik heb schoongemaakt. Wij hebben schoongemaakt.

Woorden die eindigen op 1 v of z, worden bij ik een f of s. Toch schrijven we ze met een d geen t.

Reizen > Ik heb gereisd.
Leven > Ik heb geleefd.

De gebiedende wijs

De gebiedende wijs gebruiken we om iemand te waarschuwen, verbieden of verplichten. We gebruiken daarbij alleen het werkwoord in de ik-vorm zonder ik.

Ik ga > Ga! Stop! Ga weg!

Luisteren & spreken

Bij het spreekexamen is het belangrijk dat je voorbeelden kunt noemen en uitleg kunt geven.

  • Wat vind je wel leuk? En wat vind je niet leuk?
  • Waar houd je van? Waarom?

Je kunt een oefenexamen maken op: https://inburgeren.nl/examen-doen/oefenen.jsp

Lezen & schrijven

Bij lezen moet je altijd eerst de vraag lezen, voordat je naar de tekst kijkt. Je hebt niet veel tijd. Je kunt niet elke tekst helemaal lezen. Zoek daarom gericht. Kijk naar de titels, de plaatjes, kernwoorden.

Bij schrijven is het belangrijk dat je zinnen kunt afmaken. Daarvoor moet je goed oefenen met de volgorde bij omdat, want, als, dan, … Het is belangrijk om goed te kijken naar het laatste woord van de zin. Wat komt daarna? Het werkwoord of eerst het onderwerp?

Je moet ook een formulier kunnen invullen. Zorg dat je je naam, adres, telefoonnummer, e-mail goed leert schrijven.

Verder schrijf je een paar korte briefjes. Denk eraan dat deze altijd beginnen met Beste …., en eindigen met Groetjes,…..

Je kunt een oefenexamen maken op: https://inburgeren.nl/examen-doen/oefenen.jsp

KNM & ONA

Voor KNM moet je vooral oefenen met praktijksituaties. Wat doe je, als de buren een baby krijgen? Wat doe je, als je twee mannen met elkaar ziet zoenen? Je kunt een oefenexamen maken op: https://inburgeren.nl/examen-doen/oefenen.jsp

Voor ONA maak je een portfolio. Die bestaat uit 8 kaarten. Naast het portfolio:

  • volg je 64 uur les.
  • of heb je een eindgesprek bij DUO. Je praat met twee mensen over je portfolio.

Je mag kiezen wat je doet, 64 uur les of een eindgesprek.

Hier vind je het portfolio en enkele voorbeelden:
https://adappel.nl/lesmateriaal/a2-inburgering/ona-portfolio

Woordenschat

Voor A2 moet je ongeveer 2.000 woorden kennen. Welke dat zijn, vind je hier:

A2: http://www.dikverhaar.nl/wp-content/uploads/Basiswoordenlijst_2000_frequente_meest_woorden.pdf

Voor B1 moet je minimaal 5.000 woorden kennen. Welke dat zijn, vind je hier:

B1: http://www.dikverhaar.nl/wp-content/uploads/Frequente_woorden-2000%E2%80%935000.pdf

Oefenen: taal